DEUXIÈME PARTIE aTRkITS DES ŒUVRES DE GÉRARD DE GROOTE
§ 1. — Protestatio mag^istri Gerardi» dicti teutonice Groot, super epistolisj dicti§j prœdicationibus et senuocinationibuB (1).
Ego Gerardus, dictus teutonice Groet, coram omnipotenti Deo, coram omnibus Sanctis et coram vobis et omnibus hominibus, protestor firmiter, me circa ea quœ fidei sunt, in ipso summo lapide Jesu-Christo fundamento, firmam, illibatam et catholicam fidem praedicasse et défendisse; atque, in via morum, sanas, certas et indubitatas Evangelicas, et Apostolicas doctrinas et vias, secundum Scripturas divinitus inspiratas,docuisse et seminasse, secundum sensus sanctorum Doctorum et Patrum: Ambrosii, Gregorii, Augustini, Hieronymi, Chrysostomi, Bernardi, Hugonis et Richardi, quorum libres pro terrenis habeo.
Item, ea quœ circa jura humana aut materiam Decretalium scripsi, vel prœdicavi, et maxime circa notorios fornicatores, spero ab omnibus medullitus intelligentibus, tanquam certa, aut probabiliora, ant veriora, adhibito eo temperamento et moderaminequibuseapronuntiavi,aut scripsi, inveniri et probari. — Salvo semper judicio sacrosantse romance Ecclesiae cui humillime undique et ubique me submitto.
Et si (quod absit longissime) me contra fidem, vel sanam doctrinam, quam ubique defendi, quispiam dixisse me diceret, vel confingeret, aut nominatim me exprimendo, aut si hoc non auderet, de prœcipuis verbis, diffinitionibusque circumloqueudo, aut ingeniose me urendo, secundum praisumptionem aut cleri, aut populi designaret, aut temerarie infamaret: falsum aut mendacium reperietur in eflectu. — Episcopalem reverentiam excipio, cui in hoc det'ero honorem debitum.
Si tamen (quod absit) quid reperiretur in literis principis populi et doniini nostri Episcopi, respondeo quod beatus Bernardus adliteras quasdam summiPontifici3,cumassensum malo prœbuisset
(1) Nous publions, pour la première fois, celte Protestation de maître Gérard de Groote, d'après le Manuscrit de La Haye (n» 154», fol. 113^-113^) qui est du milieu du xv« siècle, et où elle se trouve plus complète que dans la Vita Gerardi Magni, de Thomas à Kempis. cap xvni.
respondit, scilicet: « Ponti/îcem nostrum aut cxrcumyentum mendacio ; aut importunitate victum ï »
§ 2. KedelUke Toe8praak (Extraits de la) (1).
De heilige leeraar St-Paulus spreekt, dat « de Rijk Gods, dat hinnen ons is^ dat is geregtigheid, vrede en blijdschap in den heiligen Geest. » Hy, die ooit met God wil regeren, of tôt God komen, of dat God in hem kome en wone, die moetdie drie dingen in zich gevoelen of daarnaar trachten, en zich inspannen om ze te hebben in zijne magt. Voor deze dingen zal men geene uitwendige oefening laten gaan. Aile uitwendige oefening, hetzij vasten, hetzij geeselen, hetzij waken of haren kleed te dragen, deze werken zijn al zoo goed en nuttig niet, dan als zij geregtigheid, vrede en blijdschap in den heiligen Geest inbrengen; want daarom zal men ze doen, en daarnaar meten en nemen, min of meer. En aile oefeningen, die geregtigheid, vrede en blijdschap in den heiligen Geest, of een van deze drie hinderen, die zijn schadelijk den mensch, en hinderlijk, en ongeordineerd, en die komen in den mensch uit ingeving van den vijand, en uit eigenzin van den mensch, en uit zijne ingenomenheid met zichzelven. De Vijand geeft menig mensch in, zulke dingen te doen, die goed schijnen van buiten, en die ook goed zoudenzijn, deed men ze uit goede gronden en regtmatiglijk. De Vijand geeft menig mensch lust tôt zulk een hard leven in, waarvan hij weet, dat het den mensch maakt krank van hoofd, toornig, kwaadaardig, of hovaardig, of waardoor hij den mensch daartoe brengt, dat hij in demeening is, ietsgoedste doen, of in zijn eigen werk behagen te vinden. De Vijand weet wel, dat de werken, met uitwendig vertoon, zonder inwendige waard«, niet Godes zijn, en, zonder inwendige geregtigheid, meer schadelijk dan vruchtbaar zijn.
Zoo vindt men vêle lieden, die veel bidden en een moeijelijk leven leiden, en nogtans onregtvaardigzijn van binnen, en gretig naar tijdelijk goed. Het goed, dat zij onregtvaardig gewonnen
(1) Cette allocution morale, un des rares fragments de l'œuvre de Groote qui nous ait été conservé en langue dietsch, a été retrouvée, en 1854, par M. le professeur van Vloten, dans un manuscrit du xve siècle de la Bibliothèque royale de La Haye (Fonds de Maestricht, n» 429) qui porte l'inscription suivante : « Dit buecksken, dat hier nae volcht, dat schreif meyster Geraert der Groet eynen pair luid&, oin hoersen staet te berichten, ende seynden hem dat, ende beghint aidas. » Nous donnons le texte d'après l'orthographe moderne et grâce à l'obligeance de M. Campbell, le savant administrateur de la Bibliothèque royale de La Haye.
APPENDICE
hebben, kunnen zij niet weder geven, overmits dat hem dat goed meer aan het hart, en van hooger belangis, en vermits kwaade gierige gewoonten, door des Duivels verleiding, meer dan God en Zijne liefde, en Zijne gebode in het hart zijn. Deze lieden hebben wat schijn van buiten onder eenvoudige lieden, wegens den schijn van hunne oefeningen. Want gelijk, naar Christus, woorden, als de verblijven der doode ligchamen van buiten schoon zijn, de doode menschen er toch weinig baat van hebben, want van binnen is ailes vol wormen en stank, zoo zijn deze lieden. Wij tochbehooren te weten, wat Paulus zegt, dat deze lieden, al spreeken zij de taal der engelen, en wisten aile dingen uit te voeren, en de verborgenheden van God, en kenden aile wetenschap, en al deden zij wonderen, dat zij de bergen van hunne plaals dreven, of leefden zoo streng, dat zij hun eigen lijf verbrandden, het ware ailes niets, zoo zij de goddelijke liefde niet hadden, die boven aile tijdelijke dmgen weegt. Geen goddelijke liefde kan in den mensch zijn, die willens of wetens onregtvaardig goed begeert !
Wanneer hij het verkrijgt, of neemt metgeweld, of behendigheid, in het geheim of openbaar, dan zijn al de biechten, en al de lieden, die hij daarvoor inhaalt, voorspreekers en helpers van den Vijand. De liefde voor tijdelijk goed maakt den mensch blind en doet hem neigen tôt zich zelven.Door des vijands raad, en door de hulp van ondeugende biechtvaders vindt hij dikwils dingen, waarmede hij de gierigheid verontschuldigt, en zich zelf gruwelijk bedriegt. ten dood en belle. Wilden deze menschen, hun leven goed beschouwen, en zich niet op hun verblind hart verlaten, zoo zouden zij spoedig bemerken, dat zij buiten Gods liefde staan ; zij zouden vinden, hoezeer eene kleine zaak, soms een enkel woord, of ander gering ding hun ontzetting baart ; hoe ligt zij bedroefd woorden om eene enkele kleine zaak, die zij verliezen; dat is tegen de blijdschap in den heiligen Geest : en daarom zijn de hebzuchtigen, en de onregtvaardigen toornig, scheldende, murmurerende, kwaadsprekende, heftig; zij behagen zich zelve, en toch hebben zij geen vrede van binnen ; dat bewijzen woorden en werken.
Daar inwendige of uitwendige vrede ontbreekt, daar is God niet, maar de Vijand! Want, de profeet zegt, « dat Gods stad is in vrede », en de Heer zegt, dat « Zyn geest nie rust dans in rustige menschen. » Vrede is de eerste gave, dien de engelen boodschapten, toen Christus geboren was , aan aile goedwillige menschen. De goede wil is af te meten naar den vrede. Alzoo veel goeden wils hebtgij, als gij waarachtigen vrede bezit. Wat anders toch is goede wil, dan dat de mensch zijnen wil aan de wil Gods doet gelijk worden, en niets anders wil, dan wat God wil?
APPENDICE
Zonderling is het, dat uilwendige onrust, en Hjden daaruit yoorkoraen, dat de mensch de dingen anders wil hebben dan zij geschieden, en dat hij de dingen, die geschieden, niet nemen wil als komende van Gods hand, lief of leed, vordeel of schade. De godvruchtige legt er zich op toe, om zich met ailes, wat God over hem besluit, tevereenigen; en, zoo hij er al niet volkomen in slagen kan, hij tracht meer en meer daarloe te geraken; want het is veel beter dat de mensch het leiden, en de zwaarigheid aanneemt, als komende uit Gods eeuwige wijslieid en goedheid, dan dat hij uit eigen kracht de smart zoekt te verduren, zonder te weten of zij hem, al of niet, door God gezonden is. Al wat God over den mensch, gehengt, dat moet hij even zeker, ja zekerder, voor Gods wil houden, dat hij het lijdt, dan wanneer Gods engelen zelve het hcni uit eigen mond toeriepen. God spreekt tôt ons met goddelijke taal, want Gods taal is uiets andera dan Goda >»wk«n; en God» werken hier op aarde zijn de waaracbligUe gcluigttl, dk cr htslaan kunncn, van Zijn wil en vexloi^cn. »
I 3. — £ie Mauiiicrit de lljtuoTrc (XIII» Kî9)
Pour compléter ce que nous avoua dU de oe manuscrit, dtns la note 1 de la page tJ4, nous ajouterons quelques àélU^'i\s sur son contenu. 11 renferme les septpiècw »uivanl«6:
1» « Ex quadani épistola magislri G. Grocif » au fclio lll''.
2° « Item, epist. ejusd. m. G. miâSA ad qunidam Carlhusicnsoio infirmum in capite », du folio 111^ au folio 113' Jj.
30 <» Tcstimoniuni magi&tri Wilhclmia isilvaTarilU^quiselrouTO au bas du folio 113'' et au baa du Mo ÎÏ9" pour lôûiplir la marge vide (2).
40 « Epist. carens inscrlptione » du foJio 113, au in\qui commence par CCS niota : « l^rujdilocte in oordo mco iû J. C. Litcrns auguslîarum et prcssurarum (3).
(i) C'cxi la Initrc & Jcuti d'ArnhWI, |#llip P*r J. OariMe, d'^ifHtla Manuscrit d'Ulrcclil, dons [\*Archief WnjrKerUfijK't iJudkiedeuùm, loincllL p. 1-4 ; et par de Run)> d'aprOs Iok Monuicnls du Str3»l»0iirg, 4êni le BuUain do la Coinmiwion royale do liclgiqwe. S» «ne, iome U, ^ 71.
(à) Cc»t lo témoignage rendu par UuiUâuino Uo Sili*««HU*, dinsit lettre au [upc UrbalA Yl, qui a i\é rdfVOMt paor Tliuiua» à k't«p<s au CÉiap. XVIII 4a lA 11441 mag. 04rmrdà.
<3> Cc*t U lc«tr«r<ièU66 par do Rlfla, M«a oe litre : Âd f unmiiim HfU- (ioiimi r^iilaf Mm, <napN^ Icitmamiriu dû lxiui«in et de Strasbourg;
5° « Incip. Ep. ad qd Professum », du folio », 117» à 118' (1).
6<* Ex epist. ad qd clericum nomine Bertholdum.
1^ Incip. ex alla ejusd. Epistola ad prœpositum qd in Viridi Vallc (ad Kusebroec), folio 119* (2).
Nous publions ci-après les pièces [^ et 6° ,qui sont inédites, et qui ont été collationnées sur Toriginal par l'obligeance de M.Comperl, secrétaire de la Bibliothèque royale de Hanovre.
K® 1. — Ex quadam epistola mag^istri di. Ciroot.
« Quid est solacium prœsencie corporalis, ut umbrœ prjoeterii ns, et fumus evanescens, quoniam est sine alio fructu formai! profecturum? Visio corporalis et carnalis est, alteri spiritual i profutura. Nonne inter homines Pilatus et Herodes videront Christum?Quid eis profuit? Nec maxime profuissel Christum portavis?^, et vidiàM, et coocUnMisasc, nisi uuni »piriluaUt«r eoiû06pi8€«t ot int^l- Icxi.svct. Vmmo nisi et pncscncia corporalis Chriâti ab ap<Dâtol&S «Mata ftoksaM, Spiritus Saoctua »on %>cai9«l. llom bc4tus Augustiaus in libn> de BaptisoM) déclarât, qood oportMil omMinhomt^ nem uleniem ratiooe, in eU qiMD fidei sunt, âptriluaUUir inlcUigert], ul 8|>)rituali^ âat ; al saltom niti et laborare ad boc, ut çpirituoliter intelligat, et spiritualU cfficiotur, ut ca qua [>ct suni percipiat....
N* <î. — Kx Kplst. ad 4i<l clcrieum nomine Brrfoldum (3).
Frater proHlilecte, non rco6do a tua germanilatc*, qua unius PaliiK divinn grstla fratreti in sp iritu nos oonstituit. Quam fratcmi" tat«iQ ai relinquafittu^^, nooeiaa «S8€t principcm rcltnqucre ot divîDUun oxeaupjara. Ou«m lu secreto aninno^ in intortord lM>oiiii6| divious cooiplôxu» oûftcvndo^ cooc^pâmuâ. Nec aiirutn si Spiritus M^ in nobU cxistctis, a nubâs non scotireiar; quum intcllcctniikn aiimam nos habcn) non gu^tamu^. Si propriu^ spiritus oobU igMtud 6U^ uobis inextoleDS, quid miram si Sp4htu% Dai» qui vere Deus ô6i abeeocidituis licM in ûobî» &it».DObiâ miiiimû dadar^tur? Nam wtpt serpona callida iguaros alloquitur^ per singulois
(î) Â hifMbèt i«r 1^0 Hiuùp^mn. tMéfVmi U^ p. 10.
(t) C'iMt un frafMcm de la 2* lettre et Croote 4 lUi>>bro€4^ publiée pir lo D' ^olti^ il'tçftSs le HadukciI de Liège dans la Theo(vQ\tche QêtaV' tâUtUrkft il# 'Mtmgtm, tcaae LU. p. Sdû M5q.
(3) C«ac lettre c(l la mtac qtae k ^ du Manuscnt de La iUje (n* 1&1^>, tdffOlliO à Ikïrihotil un Hâve, Tua des ricùcs, ctinvcrtl ptr (î^rvd do Otaoca ai qui oooiribuA largoacnt à ia towtation du monafl^re et Win*
dies : « Ubi est Deus tuus ? » Inde est quod proni sumus ad inferiores domos, et tracti sumus ad carnalia; quia Deum et œterna non agnoscimus, nec gustamus.
Unum rogo te, Frater prœdilecte, quod a Deo, ut veraciter, percepi: non solam animam Deo desponsasti, sed corpus virgineum voto obtulisti, ut totus Dei et divinus effici possis. Rcgo, inquam. te, ut reddas Deo quod distinere vult et voverunt labia tua. Non déclines ad sinistram, nec mergeris in profundum, si eris fidelis in promissis. Serva Deo fidem, quœ hosti servanda est ; et cave societates mundanas et vanas. « Beatus vir, ait Psalmus, qui non respexit ad vanitates et insanias t'alsas, quibus mundus ut innumerabilibus rethibus plenus est!»
Gastitas débet custodiri; coronam portât floream, pulchram lilici, et inestimabilem ; sed, nisi custodiatur, non stabit ! Junge mentem tuam Deo, a quo solo castus et dives efficieris! Cave alloquia mala, quœ, secundum Apostolum, bonos mores corrumpuntî Averte oculos, nevideant mulieres: non licet conspici, quod non licet concupisci.
Gave ne Deum derelinquas. Si ipsum reliqueris, qui omme bonum est ipse, quid restabit tibi nisi omnomalum? Si ipsum reliqueris qui omne pulchrum, omne dives, omne nobile, omne verum, omne suave, omne desiderabile et delectabile ipse est et in eo est, quid restabit, nisi totum déforme, turpe, pauper, ignobile, falsum, amarum, fungibile et pénale? Si ipsum reliqueris, non potest Greator creaturam relinquere. Necesse est enim ut serviat creatura Domino suo, aut punienti, aut prœmienti; aut invita per pœnas œternas, aut voluntaria in gaudiis cœlestibus! Sentit enim Deum aut largientem aut deprimentem.
Sed tu senties, Deo dante, semper Dei largitatem, Spiritus Dei superfluentem bonitatem in tuo ingenio; si per modicum hoc tempus, quod vix unius horse spatium, Ciiristo servire volueris perseveranter. Ora, quia qui perseveraverit usque in fmem, non qui inchoaverit, salvus erit.
Vale, vale, dilecte millies, constans in bono, cautus et providus in periculis, devotus et in Spiritu Sancto, quia erit gaudium nostrum infinitum !
Saint-Denis.— Imprimerie J. Broghin, rue de Paris, 94.
■MitiBiliriiirMtanWiiiiiipr-wiirt imi t ifiiB
: àriAV y»