IT
In deze Indo-Europeesche dialekten wijzigt het articulatiepunt van den neusmedeklinker zich in dien zin, dat het gelijk wordt aan den volsenden medeklinker. Deze verandering wordt tesengsesaan door analogische invloeden, die zich des te sterker doen gevoelen naarmate de oorsprongé van het woord duidelijker te onderkennen is.
Voor een anderen neusmedeklinker of een liquida wordt de assimilatie van den neusmede-
klinker volkomen. Regressieve assimilatie is hier resel. De uitzonderinsen worden verklaard door
MS ER ù
IV STELLINGEN.
het krachtis articuleeren van den voorafgaanden neusmedeklinker.
Naast de voorsaande assimilatievormen kan zich voor een anderen medeklinker $edeeltelijke denasaliseerings van den neusmedeklinker voordoen, waardoor een medeklinker ontstaat die den overgang vormt tot den volsenden medeklinker. Ook hier is de neigsiné, om het articulatiepunt van den neusmedeklinker te handhaven de oorzaak.
De toenemende verzwakking van den neusmedeklinker doet zijn mondarticulatie ten slotte $Seheel verdwijnen. De neusarticulatie kan zich daarbij uitstrekken tot den voorafsaanden klinker. Daar de tijdruimte tusschen de opeenvoigende momenten waarin het woord het duidelijkst wordt g$earticuleerd constant blift, ontstaat tevens verlenging van den voorafsaanden klinker.
Schwan-Behrens (Grammaire de l'ancien français, p. 107) en Nyrop (Grammaire historique, I, p. 438; II, p. 32, 33) schrijven het ontstaan van craindre <[ lat. fremere, geindre < lat. gemere, preindre < lat. premere, aan analogische invloeden
STELLINGEN. v toe. Phonetische factoren zin hier overwesend.
In zijn studie over de versmaat van de Suinie Eulole scandeert Koschwitz de verzen op een wijze die in strijd is met het Fransche accent. De versmaat van de Suinte Eulilie stemt overeen met het klassieke Fransche vers door de aanwezisheid van rijm of assonantie, en door de betrekkelike vastheid der hoofdaccenten. Zoo de bewerker der cantilene de g$elijkheid van het lettersrepental niet in acht neemt, de reselmaat van zijn metrum is verzekerd door de vastheid van beweñging aan ‘’teind van ieder vers en door een regelmatise verdeeling der secundaire accenten. De éroepeering$ der strofen is onberispelijk symmetrisch. |
De Roman van Walewein is opsebouwd uit motieven, voorkomende in de Keltische sagen Tochmarc Emire, Baiïile an Scail, Echtra Cormac i Tir Tairngire, Echtra Airt meic Cuind, in de Britsche romans Gawain and the Green Knight en The Turk and Gawain, in den Wallischen Peredur, in Chrestien de Troyes’ Érec et Énide en Le Chevalier de la Charrette, in de Fransche romans La Demoiselle à la Mule en Hunbaut, in den Franschen prozaroman van Joseph d’ Arimathie.
VI STELLINGEN.
De vereenigins van bovengenoemde motieven van Keltische en Fransche herkomst maken het ontstaan van den Walewein in Frankrijk waarschijnlijk.
Het motief van de rivier van het ,$erechte vasevier”” is door den bewerker van den Walewein aan de Visio Sancti Pauli ontleend.
De Walewein is niet enkel avontuurroman.
Hij beeldt onder symbolische vormen de ontwikkeling van liefde en ridderdeugd bij Walewein uit.
Ofschoon rijk aan Bijbelsche reminiscenzen, zijn de Vizioenen van Hadewijch eer van pantheïstisch dan Christelijk karakter.
Matthijs de Casteleyn kan als voorlooper der Nederlandsche Renaissance worden beschouwd, door zijn bewonderin$g voor de Grieksch- Romeinsche oudheiïid, door het g$ezag dat hi] toekent aan de antieke dichters en redenaars, en door zijn poginsen om de Rederijkerspoëzie
qe en 2
STELLINGEN. VII
in verband te brengen met de klassieke dichtvormen.
Het Calvinisme is van bijzonderen invloed Seweest op de ontwikkeling der Christelijke trasedie in Frankrijk, Nederland en Engeland.