DIXI
OVER HET BEOEFENEN DER NEDERDUÏTSCHE TAEL, TE LEUVEN (1).
« Noyt is onze tael eenige aendacht verleend van » hoog gezag. Noch hoogeschooi van Leuven, noch » onze brusselsche académie hebben haer oyt meer ge- » daen als niet verworpen (2). » Zoo sprak in 1788 de advocaet Verloo in een niet onaerdig werkje over het beoefenen onzer moedertael. En inderdaed, M. H. indien men nagaet wat invloed de Leuvensche universiteit op onze tael gehad heeft, bevindt men, dat die schryver zich naeuwkeurig heeft uitgedrukt. Doch, men neme dit de hoogeschooi niet euvel op, zy kon toch niet anders zyn dan de eenw waerin zy bestond , en in de vyftiende en zestiende eeuwen , in de beste tyden der geleerdeo op us , ware het voor die mannen zoo buitensporig geweest, de zelfde aendacht aen de moedertael te verleenen die wy er nu aen geven, dan het heden voor een franschen schryver zyn zou latynsche romans in de wereld te zenden. Wat men toen voor de moedertael doen kon , dit
(1) Gt'lrolcltcii uit eene reclevocring grliouden door deu leer ecrw. lie» r Lujtgarr^ns , in de plcgtige zilting van hel Tael- en Letterlievend Gniootscliap , ao oct. i R 54-
(2) Vcrltand orer liet niel achien der morderl. T»el , M.
heeft de universiteit gedaen , namelyk haer niet verstooten. Het zou u kunnen verwonderen, dat ik dit weinige voor iets wat lof verdient opneme. Dit zal echter niet zyn, wanneer men weet, hoe het er elders uitzag. De geleerde Burmannus, leeraer aen de hoogeschool van Utrecht, aenzag zyne moedertael als onweerdig van door eenen geleerden gebruikt te worden, hy sprak er nooit van als met de diepste veracbting en zou zyne pen als onteerd aensehouwd hebben,indien er ooit een woord nederduitsch uitgevloeid ware. Dit is nogtans eenigzins te verstaen; de geleerden hadden toen niet dezeifde moedertael als het gemeen. Hunne moedertael was het latyn, dit alleen spraken zyonder elkander, in dietael alleen hielden zy hunne briefwisseling en door den band van die gemeene tael aenzagen zy zieh als leden van één groot lichaem , dat door geheel de wereld verspreid , den naem droeg van republiek der letteren. Wel latyn spreken en schryven was tœn eene hoofdverdienste en diejdit wel kon, was verzekerd, waer hy ook ko m en mogt, vrienden aen te treffen. Dit is zoo waer, dat onze landgenoot Chr. Longolius, die in Zwitserland reeds een geruimen tyd als krygsgevangene had doorgebragt, aenstonds op vrye voeten gesteld werd en met eer bejegend , toen men vernam , dat de man zich zoo keurig in *t latyn uitdrukte. Men ziet hoe het in die tyden gelegen was. De geleerden, voor zoo veel zy lid waren van de republiek der letteren , spraken en schreven latyn , en slechts toen zy zich weder toi het huishoudelyk leven vernederden , geweerdigden zy de
moedertael van het gemeen te gebruiken. Geene of weinîge werken over wetenschappen handelende zag men toen in de moederlael aen H licht komen , len zy van persoonendie met geene akademische titels prykten of zulken die byzonderlyk voor het gemeen bestemd waren , zoo als de werken van Stevyn , Palfyn , Damhouder , enz. , de eersten schreven voor de konstabels en heelmeesters , de laetste voor baiîjous en schepenen van hunnen tyd, allen mannen voor wie het latyn eene vreemde tael was. SIechts de werken van Dodoens en zeer weinîge andere maken hierop uitzondering. Men denke eventwel niet , dat de geleerden, daerom minder aen voorvaderlyke zeden , aen hunne nationaliteit verkleefd waren; latyn en grieksch daer bleef men dood om ; het was immers hunne moedertael als burgers van de republiek der letteren ; maer wat buiten dat te veel naer 't vreemde helde, was toen by regtschapene vaderlanders , eveneens als nu , in minachting. « Plaçait omnibus modis, «zegt Erasmus, van Longolius sprekende, » » hoc uno dempto, quod nimium gallus est , quum sit » nostras (1). » « Bella ista , « zegt Lipsius » et mixti ex- » teri, Belgicam , ut sic dicam, e Belgica tollunt (2). » De vermaerde Thomas Morus schreef reeds in de zestiende eeuw een aerdig dichtje, getiteld : in Anglum linguae gallicae affectatorem (3).
(t) Era.«m. Epist. ' { ù~ t .
(••) Lip». Epiiit. »>l Belg. crut. III, mj.
(3) Mori Epigr.
In weerwil echter van dit uitsluitelyk gebruik der oude talen en by gebrek aen steilige begunstiging der moedertael , iets wat de geest der eeuw niet gedoogde , zyn er by onze universiteit aityd leeraren geweest, die sommigen hunner werken een nederdaitsch gewaed dierven aensteken , van dit getal waren , oin er maer eenigen op te noemen, Plempius en Viringus leeraers in de geneeskunst, Lindanus, A Castro, Jansonius enMalderus in degodgeleerdheid, Van Langendonck, in de regten, Lepaige in de wetenschappen. Jus tus Lipsius zelf , M. H. achttedenederduitschetael nietonweerdig van door hem beocfend te worden. Getuige hiervan hetgeen hy geboekt heeft over onze tael en hare oudheid (1) , iets wat heden nog met belangstelling gelezen wordt ; getuige hiervan het genoegen dat hy schept in het uitgeven van het Etymologicum van onzen onsterfelyken Kiliaen en den zoo welverdienden lof die hy hem daerover geeft : « Utili la- » bori fatendum est , « zegt hy » et qui in publicum plus » conferet quam multorum speciosi admodum et famosi » libri (2). » Ja, wat meer zegt, hy schreef soms in t dietsch aen menschen met wie hy even goed had kunnen latyn gebruiken , en zoo bedankte hy het bestuer der stad Leuven in zuiver en vloeijend dietsch over hunne medewerking om hem als leeraer by de universiteit te
(i) Lipa. ad Bclg. C. III. 44.
(1) là. 19.
doen aenstellen (i). De beroemde geleerde had het zelfs aengaende het nederduitsch beter voor, dan de meeste vlaeuische sehryvers van zynen tyd. Ziet hier wat by van Kiliaens werk zegt :
« Non hic Galle tuas, tuas Ibère
» Tuas, Itale, nunc reposée voces
» Nostra hœc fabula est, scena tota nostra est.
» lté exotica verba, Kilianus
» Dat pura et puta belgica. Et quid ultra
» Et pura et puta dat simul latina
» Duplex gloria, gratia esto duplex
» Et Belga hune amet atque amet latinus (2).
Eveneens was het met den opvolger van Justus Lipsius, den geleerden Erycius Puteanus gesteld. Die schaemde zich niet zyne ledige uren aen de nederduitsche dichtkunst toe te wyden, en wel met zulken iever, dat hy een zeer groot aental vlugge dichten heeft achter gelaten, die echter nooit gedrukt zyn geworden. Wel is waer, dat zy waerschynlyk meer 'smans iever dan zyne bedrevenheid in het vak zouden bewyzen. Eindelyk rekenden vele leeraers het zich tôt eer deel te maken van die beroemde rederykkamers , die zich toenalleen met het beoefenen der moedertael bezig hielden.
De tyd laet niet toe M. H. hierover verder uit te wyden. Er is echter genoeg gezegd geweest om te toonen , dat ,
(i) De norspronleljke biief Iieruat op het arcliitf der *lad l-euven. (v) Ad Brlg C III 44.
( <oi )
de leuvensche hoogeschool onze tael nooit veracht, nooit verstooten heeft; ja, meer , dat de leeraers voor haer altyd gedaen hebben wat men , ingezien de geest der tyden , van hen verwachten mogt. Nu zyn de tyden veranderd , de omstandigheden voor de moedertael gunstiger. Er wordt dus van de vernieuwde universiteit meergeeischt, en, ik beken het met genoegen, er wordt ook meer gedaen. ls Leuven niet de eenige hoogeschool van Belgie waer het nederduitsch eene plaets in de programma van onderwys heeft bekomen? Is het niet aen eenen hoogleeraer van Leuven , dat men voor een groot gedeelte de opbeuring der dietsche tael, den beginnenden luister der vaderlandsche letteren te danken heeft? Is niet hy , die aen het hoofd der hoogeschool geplaetst, deze en geheel Belgie, tôt eer strekt, een warme voorstaender der moedertael? En het tael en letterlievend Genootschap , dat met zoo groote stappen vooruittreedt, en byna al wat in de nederduitsche letteren eenigen roem verworven heeft onder zyne leden telt, dit Genootschap , hetwelk by de universiteit gesticht en door haer ondersteund , jaerlyks een aental kundige en ieverige taelminnaren door geheel Belgie verspreidt, bewyst ten overvloede, dat de Aima mater de belangen der moedertael niet uit het oog verliest. Ailes zegt ons, dat de universiteit, in betrekking tôt de nederduitsche tael, die hoogte bereiken , of laet ik zeggen , behouden zal, tôt welke zy reeds in de andere vakken van onderwys gestegen is.
TABLE
Lettre de M. Van Gifa, professeur en théologie à Louvain, sur les sentiments de l'ancienne faculté de théologie , par rapport à la déclaration gallicane de 1682. 5
Notice sur la vie et les travaux de Jean Campcnsis et d'André Gennep , professeurs d'hébreu au collège des Trois-Langues à Louvain , par M. le prof Nèvc. 23
Notice sur la vie et les ouvrages de Vopiscus Fortunatus Plcmpius , professeur de médecine à V Université de Louvain, par M. le prof Haan. 63
Andreœ Fesalii prœconium, oratio quam in so lemni prœmiorum distributione collegii lit.
hum. Alticolensis , die 13 mensis Augusti 1844, habuit Nicolaus JVeynants, rhetorices alumnus. 87
Over het beoefenen der nedcrduitsche tael, te Leuven. 95