‹ Mémoire sur le Port Recife (Pernambuco-Brésil) = Verhandeling over de Haven van het ReciefChapitre 1 sur 5 · Mémoire sur le Port Recife (Pernambuco-Brésil) = Verhandeling over de Haven van het Recief (Pernambuco-Brazilië) · texte numérisé non relu

Mémoire sur le Port Recife (Pernambuco-Brésil) = Verhandeling over de Haven van het Recief (Pernambuco-Brazilië)

Ingénieur en chef an corps des ponts et chaussées de Prance, ancien Directerir des travaux publics de la Province de Pernanibiico, nienibre correspondant de la Société néerlandaise de géographie,

ET

ÉMILE BÉRINGER,

Ancien Ingénieur , chef du service topographique de la Province de Pcrnambuco,

(UlTGEGFVEN VAN WEGE HET AaRDRIJKSKUNDIG GeNOOTSCHAP.)

BIJBLAD N°. 8.

Amsterdam. — C. L. BRINKMAN. — Uirecht. — J. L. BEIJERS.

in 2016

https://archive.org/details/memoiresurleportOOfour

AAN DEN LEZE R.

Het zij ons vergund aan de belangrijke studien van de heeren Fournié en Béringer over de haven van Pernambuco een enkel woord te doen voorafgaan, ter verklaring waarom de arbeid van deze kundige vreemdelingen in ons Tijdschrift wordt opgenomen, en waarom dit opstel in de Fransche taal verschijnt.

In de verslagen der Algemeene Vergaderingen van ons Genootschap van de jaren 1874 en 1875 is herhaaldelijk gewaËC gemaakt van de betrekkingen door onzen V oorzitter aangeknoopt met den heer Victor Fournié, destijds Directeur der openbare werken in de provincie Pernambuco in Brazilie. Het was den heer Fournié gebleken, dat iu den tijd toen de Nederlandsche Westindische Compagnie een gedeelte van Brazilie aan haar gezag onderworpen had, opnemingen van de haven en wateren van het Recief of de stad Pernambuco hadden plaats gehad, waarvan daar ter plaatse de herinnering nog niet geheel verloren was. Zijne belangstelling werd daardoor zoozeer opgewekt, dat hij aan den Weleerw. heer P. Mounier te Amsterdam, dien hij toevallig had leeren kennen, een brief schreef, met verzoek om hem zoo mogelijk nader daaromtrent in te lichten. De heer Mounier wendde zich tôt onzen Voorzitter, die nu zelf met den heer Fournié in correspondentie trad en hem al dadelijk het een en ander omtrent de literatuur betreffende de Nederlandsche vestiging in Brazilie mededeelde en zich bereid verklaarde verdere berichten in te winnen. De heer Fournié toonde zijne erkentelijkheid door de toezending van een exemplaar zijner „Etude sur les travaux nécessaires au développement du Port de Pernambuco” voor onze bibliotheek, en door den wensch uit te drukken om als lid van ons Genootschap te worden opgenomen, een wensch waaraan onzerzijds voldaan werd door hem bij de eerste gelegenheid tôt correspondeerend lid te benoemen. Een ander

Fransch ingénieur, de heer Emile Béringer, naar Pernambuco geroepen om aanvankelijk den Directeur in zijne werkzaamheden bij te staan en hem later te vervangen, ontving nu van den heer Fournié de opdracht om vooraf Nederland te bezoeken, zich met den President van het Genootschap in betrekking te stellen, en met zijne hulp zooveel mogelijk ailes op te sporen wat aan boeken, handschriften en kaarten, de haven van Pernambuco betreffende, op de Bibliotheken en in de Archieven van ons land zou te vinden zijn. De Voorzitter stelde hem, door de w elwillende hulp van den heer W. N. du Rieu, in staat zich bekend te maken met den rijken schat van kaarten, door den heer Bodel Nyenhuis aan de Akademische Bibliotheek vermaakt, terwijl hij hem verder aanbeval aan den heer Frederik Muller te Amsterdam en vooral aan den majoor P. A. Leupe te ’s Gravenhage, die met het opzicht over de daar in ’s Rijks Archief aanwezige rijke verzameling van kaarten belast was. De heer Béringer werkte cenige dagen, vooral te Leiden en te ’ s Gravenhage, met stalen vlijt, om ailes te excerpeeren en af te teekenen, en bracht den heer Fournié veel meer dan hij zich ooit had durven voorstellen. Eene grondige vergelijkende studie van de haven van Pernambuco in haren tegenwoordigen toestand en in dien waarin zij in de zeventiende eeuw verkeerde, was daarvan het gevolg, en de mindere bekendheid der Nederlandsche taal was daarbij voor die heeren geen hinderpaal, daar zij , door hunne kennis van het Hoogduitsch geholpen, er in slaagden haar weldra voldoende meester te worden, om de schriften van de Laet en Nieuhoff en de legenda der Hollandsche kaarten volkomen te verstaan.

Eenigen tijd na de aankomst van den heer Béringer te Pernambuco, keerde de heer Fournié, die nu devoltooiing zijner taak aan bekwame handen kon overlaten, naar Frankrijk terug, waar hij zich weldra geplaatst zag bij het

INLEIDING.

Ministerie van Openbare Werken, als Directeur de la construction des chemins de fer.

Nadat ook de heer Béringer in Frankrijk was teruggekeerd, richtte de heer Fournié den 3'*™ December 1878 een schrijven aan onzen Voorzitter, beginnende met de erkenning, dat de hulp des Genootschaps hem instaathad gesteld tôt in de kleinste topographische bijzonderheden den staat van de stad Recife te leeren kennen, in den tijd toen zij den naam droeg van Mauritsstad, en dat hij zich daarom verplicht achtte aan ons Genootschap rekenschap te geven van zijne verrichtingen in Brazilie, voor zoover die eenige wetenschappelijke waarde konden bezitten. Al dadelijk zond hij daarom aan het Genootschap een overdruk uit het ,, Annuaire de la Société météorologique de France”, 1878, van de onder zijn toezicht en medèwerking door den heer Béringer uitgegeven ,, Recherches sur le climat et la mortalité de la ville du Recife ou Pernambuco”; maar gewichtiger nog was de mededeeling die hij er aan toevoegde, dat hij, na een topographisch plan op de schaal van I : 10,000 van de stad en hare voorsteden te hebben doen vervaardigen, thans in staat was gesteld met îrauwkeurigheid al de plaatsen aan te wijzen, die in de werken van Barlaeus, de Laet en Nieuhoff en op de Hollandsche kaarten waren vermeld, en dat tevens de heer Béringer op zijn verzoek eene memorie daarover had samengesteld, en op een exemplaar der voorhandene kaart van den toestand in de 19e eeuw, den toestand in de 17e eeuw met behulp van kleuren had aangewezen. ,,Ces documents”, zoo schreef hij, ,,vous appartiennent dans une large mesure, et je n’hésiterais pas à vous les adresser dès a présent, en vous demandant de vouloir bien les accueillir dans la publication périodique de vobre société, si la notice dont il s’agit n’était rédigée en français. Si vous pensez. Monsieur le Président, que ce sujet ait assez d’intérêt pour que la Société neérlandaise se charge de faire traduire cette notice de quelques pages en langue hollandaise, et de faire réduire au format de sa publication une carte en deux couleurs, je m’empresserai de vous transmettre ce travail original, qui fait honneur à M. Béringer. Je me réserve seulement le mérite d’avoir rendu possible ce travail et d’avoir encouragé l’auteur dans ses recherches longues et minutieuses: c’était mon rôle de directeur civilisé dans un pays où le goût de la science n’a pas de nombreuses occasions de se développer, en dehors de la capitale Rio de Janeiro.”

De Voorzitter deelde dit schrijven mede aan zijne medeleden in het Bestuur, die allen hoogelijk waren ingenomen met de hulde die aan de wetenschappelijke verdiensten

onzer voorouders in dezen arbeid gebracht was door twee Fransche ingénieurs, die alzoo wilden bijdragen om de herinneringen van een roemrijk verleden bij ons te verlevendigen, en die noch het aanleeren onzer taal, noch de zorgvuldigste plaatselijke onderzoekingen geschroomd hadden, om licht te verspreiden over eene belangrijke épisode onzer koloniale geschiedenis. Het voorstel van den heer Fournié werd met warmte aangenomen; doch met die wijziging, dat besloten werd hem aan te bieden het stuk in de origineele taal in de werken van ons Genootschap op te nemen Ofschoon wij ongaarne ons Tijdschrift ol zijne Bijbladen door Nederlandsche schrijvers zouden zien gebruiken tôt plaatsing van stukken in vreemde talen om ze alzoo gemakkelijker voor den vreemdeling toegankelijk te maken, — eene handelwijze maar al te zeer in sommige andere nederlandsche tijdschriften, tôt groote schade voor de verbreiding onzer taal, gevolgd, en, zooals de ervaring met ons Tijdschrift opgedaan, ons in tal van voorbeelden geleerd heeft, volstrekt niet noodig om de aandacht van vakgenooten op onderzoekingen van wezenlijke wetenschappelijke waarde te vestigen, — meenden wij toch dat de algemeene bekendheid onzer beschaafde landgenooten met de voornaamste vreemde talen ons toestond, stukken door vreemdelingen in hunne moedertaal geschreven en ons ter plaatsing aangeboden, onvertaald aan onze lezers aan te bieden. leder schrijver schrijft het best wanneer hij zich van zijne eigene taal bedient, en ééne der voornaamste redenen derhalve waarom wij van Nederlanders geene stukken in vreemde talen wenschen te ontvangen, is dus tegelijk eene reden waarom wij de bijdragen van vreemdelingen bij voorkeur onvertaald laten, ook dan wanneer ons de opneming in een nederlandsch kleed op zoo heusche wijze wordt vrijgelaten als door den heer Fournié is geschied.

De kennisgeving van den Voorzitter aan den heer Fournié van onze bereidwilligheid om de kaart in verkleinden maatstaf en de bijgevoegde memorie in de oorspronkelijke taal in onze werken op te nemen, werd den 3isten Januari, 1879, gevolgd door de toezending van de volgende stukken: i". De bedoelde memorie van den heer Béringer, waaraan echter de heer Fournié zelf, als eerste gedeelte, eene studie over den tegenwoordigen toestand der haven van Pernambuco, uit hydrographisch oogpunt beschouwd, had toegevoegd, met de vergunning om van dat bijvoegsel al of niet gebruik te maken, naarmate het ons wenschelijk scheen; 2“. een exemplaar zijner groote kaart van de stad Recife in haren tegenwoordigen toestand, op de schaal van I : 10,000; 3”. een exemplaar van acht bladen derzelfde

INLEIDING.

kaart i), waarop met roode lijnen en gele tinten de gesteldheid der plaats in het Hollandsche tijdvak, 1630 — 1654, is voorgesteld.

De heer Fournié achtte het niet waarschijnlijk, dat het Genootschap 00k eene reductie van de sub 2 genoemde kaart aan de uitgave der andere stukken zou wenschen toe te voegen; en hij heeft daarin wel gezien, daar de kosten der uitgave daardoor aanmerkelijk en zonder evenredig nut zouden verzwaard zijn; maar toch wilde hij ons met de toezending van een exemplaar dier kaart verplichten, opdat zij „à titre de document” in het Archief des Genootschaps zou blijven berusten.

De reductie der kaart bestemd voor de vergelijking van den voormaligen en hedendaagschen toestand der haven, is vervaardigd door ons medelid, den luitenant ter zee le klasse C. H. de Goeje, thans Directeur van de Kweekschool voor de Zeevaart te Leiden, die daardoor het Genootschap op nieuw in hooge mate aan zich verplicht heeft. Er moest echter noodwendig eenige tijd verloopen eer de heer de Goeje, te midden van vele drukke bezigheden, zich van deze lastige taak kon kwijten, terwijl daarna de correctie van de proeven der kaart en gedeeltelijk 00k van den tekst groote vertraging ondervonden heeft, door de nieuwe betrekking waartoe de heer Béringer werd geroepen, die

l) De overige bladen waren onnoodig, omdat het terrein dat zij voorstellen door de Nederlanders noch bezet noch onderzocht is.

zich naar Afrika begaf om daar te worden toegevoegd aan de expeditie van kolonel Flatters voor het onderzoek betreffende den aanleg van een spoorweg door de Sahara. De kaart is nog vôôr zijn vertrek door hem nagezien, maar met de correctie der proeven van den tekst heeft zich in zijn afwezen de heer Fournié belast. Nadat wij de gecorrigeerde bladen hadden terug ontvangen, is de vreesse' lijke tijding tôt ons gekomen, dat de bittere vijandschap der inboorlingen, deels door het zwaard, deels door vergif, aan de expeditie een volkomen ondergang heeft bereid. De Heer Béringer is een der vele slachtofifers van dezen moord, die aan zoovele edele pioniers van menschelijkheid en beschaving het leven gekost heeft. Met ons zullen allen, die zij ne verdi ensten uit het thans uitgegeven werk leeren kennen, zijn ontijdigen dood betreuren, maar zij die in de gelegenheid waren, hem, gedurende zijn kort bezoek in ons vaderland, persoonlijk te leeren kennen, betreuren dubbel zijn verlies, wegens de minzaamheid en bescheidenheid die met zijne groote talenten en stalen vlijt gepaard gingen. Het voorstel, door den Voorzitter recds aan deoverweging van het Bestuur onderworpen, om hem, als bewijs onzer erkentelijkheid, onder de correspondeerende leden des Genootschaps op te nemen, moet thans, helaas! vervallen; maar onze dankbaarheid jegens de beide uitstekende Fransche ingénieurs, die de werken van ons Genootschap door eene voor Nederland zoo belangrijke studie hebben willen opluisteren, zal daarom niet minder groot zijn.

ÉTUDES HYDROGRAPHIQUES SUR LE PORT DU RECITE

Page 1