‹ Nobiliaire des Pays-Bas et du comté de Bourgogne (volume 2)Chapitre 29 sur 59 · COPIE · texte numérisé non relu

COPIE

DO

Diplôme de reconnaiissaucc de noblesse, délivre, le 15 mai 1862, par S. 111. Gaillanme III, roi des Pays-Bas, à JACQUES CUSTIS.

Wij Willem III, bij de gratie Gods koning der Nederlanden, prins van Oranje- Nassau, groot-hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

Allen die dezen zullen zien of hooren lezen, salut !

Gezien hebbende het adres van Jacques Custis, voormalig officier van gezondheid der tweede klasse, zoon van Jean Custis en Marie-Anne Duvivier, echtelieden;

Gezien de bewijzen door hem overgelegd, waaruit blijkt dat hij een wettige afstammeling is van Carolus-Franciscus Custis, voortijds te Brugge, in Vlaanderen, gevestigd, wiens brieven van adeldom den zeventienden junij des jaars zeventienhonderd zeven-en-twintig te Brussel geregistreerd zijn geworden; overwegende dat de vermeerdering van den Adel en de verleening van titels, zoo wel kan dienen tôt verheffing van den luister des souvereins, als tôt opwekking van eene edele zucht tôt voortrefFelijke bedrijven bij anderen. Zoo is het dat Wij welgemelden Jacques Custis en zijne wettige thans levende of toekomende kinderen, zoo mannelijke als vrouwelijke, mitsgaders aile volgende wettige afstammelingen van zijn geslacht en naam inlijven en houden als behoorende tôt den Adel van het koningrijk der Nederlanden, met het prœdikaat van Jonkheer en Jonkvrouwe en Hoog wel geboren, en ailes met zulke regten als of hij en zijne kinderen van ouder tôt v.oorouder uit een geslacht waren geboren; hetwelk vroeger in het koningrijk der Nederlanden als adelijk was erkend : ten einde te genieten aile die regten welk bij 's Rijks wetten aan den Adel in het koningrijk der Nederlanden zijn of zullen worden toegekend, met vrijheid om zijn aangeboren wapen te blijven voeren, op de wijze als hier ter plaatse met zijne kleuren en metalen is afgemaald, zijnde een gevierendeeld schild, het eerste en vierde deel van sabel met een chef cousu van keel, en eenen adelaar van zilver, houdende eenen lauriertak van sinopel in den bek, brocherende over het geheel, het tweede en derde deel van lazuur, met eenen keper van zilver, vergezeld in de punt van de linkerhelft eener lelie van goud. Het schild gedekt met de aan het prsedikaat verbonden kroon, waarop eenen helm van zilver, geboord, gesierd en getralied van goud, gevoerd van keel. Het helmdek van de kleuren en metalen van het schild. Het helmteeken een boom van sinopel, komende uit eenen wrong van silver en sabel. Ten einde voorzegde jonkheer Jacques Custis en zijne wettige nakomelingen, het genot van dit gunstbewijs en de regten aan den adel gehecht ongestoord mogen genieten, zoo hebben Wij hem dezen openen brief afgegeven, met last dien ter kennis et brengen van de Gedeputeerde Staten der provincie, waarin hij vast verblijf houdt,

CUSTIS 173

en daarna onder overlegging tevens eener geheel overeenkomstige kopij, te registratie in te dienen bij het Ministerie van Justitie; ten einde het bij 0ns bekende adelijk wapen van het geslacht Custis onder die der adelijke geslachten opgenomen worde. Verblijvende het genot dezes afhankelijk van het tijdstip dier registratie.

Wij verzoeken aile Keizeren, Koningen, Hertogen, Vorsten, Graven, Landsheeren^ Souvereine Republieken, en wien het verder zoude mogen aangaan, om den zelven Jonkheer Jacques Custis, en zijne wettige nakomelingen als edelen te erkennen, en de aan den adel verbonden regten onverhinderd te doen genieten.

Wij gelasten in het bijzonder Onzen Minister van Justitie en ontbieden de Staten der bijzondere provinciën, den Hoogen Raad der Nederlanden, en aile overige Regierlijke Collégien, alsmede aile Provinciale en Gemeentebesturen binnen 0ns Rijk, den gemelden Jonkheer Jacques Custis en zijne wettige nakomelingen van dien naam, niet alleen in al het voorschrevene te erkennen, maar is het nood, daar bij te handhaven en te beschermen, omdat Wij dit ailes uit Onze Koninklijke magt ten beste van het Rijk en ter belooning van deugden en verdiensten al zoo hebben bevonden te behooren.

Ter bevestiging hebben Wij dezen met Onze naamteekening bekrachtigd en doen waarmerken door den Direkteur van 0ns Kabinet, en verder doen bezegelen met Ons Grootzegel, dienende ter relatie van Onzen Minister van Justitie.

Gegeven te 's Gravenhage den vijftienden mei des jaars 1800 twee-en-zestig.

(Geteekend) WILLEM.

De Minister van Justitie,

(Get.) Olivier.

Van wege den Koning,

De Direktenr van het kabinet des Konings,

(Get.) De Kock.

Geregistreerd bij het Département van Justitie.

's Gravenhage den 20 october 1862, fol. C. 69.

De Raad adviseur bij het Département van Justitie, Chef der afdeeling Adel , (Get.) W. J. B°" d'Ablaing van Giessenburg.

Gezien bij ons Gedeputeerde Staten van Noord-Braband, 's Hertogenbosch , den

14 october 1862.

In kennis van mij,

De Greffier der Staten,

(Get.) Van Cooth.

Tradoction libre dn Diplôme de reconnaissauce de noblesse qui précède.

Nous Guillaume III, pfr la grâce de Dieu roi des Pays-Bas, prince d'Orange- Nassau, grand-duc de Luxembourg, etc., etc. A tous ceux qui ces présentes verront ou ouïront, salut! Vu la requête de Jacques Custis, ci-devant officier de santé de 2^ classe.

174 CUSTIS.

fils de Jean Custis et de Marie-Anne Duvivier, conjoints; vu les documents par lui fournis, desquels il résulte qu'il est descendant légitime de Charles-François Custis, jadis établi à Bruges, en Flandre, dont les lettres de noblesse ont été enregistrées à Bruxelles le 17 juin mil sept cent vingt sept. — Considérant que l'augmentation de la noblesse et les concessions de titres, peuvent servir aussi bien au lustre du souverain à qui l'encouragement d'un noble penchant vers de belles actions. — Ainsi est-il, que Nous agrégeons le dit Jacques Custis, ses enfants mâles et femelles, tant vivants que futurs, et tous leurs descendants légitimes de sa race et de son nom, comme appartenant à la noblesse du royaume des Pays-Bas, avec les prédicats de gentilhomme (écuyer, en hollandais jonkheer), et de noble dame, et de haut et bien né, et avec tous les droits qu'ils pourraient avoir, si lui et ses enfants appartenaient de par leurs aïeux à une race reconnue jadis comme noble dans le royaume des Pays-Bas, et ce à l'effet de jouir- de toutes les prérogatives que les lois du royaume attachent ou pourront attacher à la noblesse, avec là faculté de continuer à porter les armes de ses devanciers, telles qu'elles sont décrites et figurées aux présentes avec leurs métaux et leurs couleurs, savoir : tm écu écartelé, aux l®'" et 4^ cantons de sable au chef cousu de gueules, à une aigle d'argent portant dans son bec une brandie de laurier de sijiople, brochante sur le tout; aux 2® et 3® cantons, d'azur au chevron d'argent, accompagné en pointe d'une demi- fleur-de-lis. Vécu couvert de la couronne de son prédicat, surmonté d'un heaume d'argent, grillé et liseré d'or, fourré de gueules, orné de ses lambrequins aux émaux de Vécu, et ayant pour cimier un arbre de sinople sortant d'un bourlet ou tortil d'argent et de sable. — A l'effet de laisser jouir librement de cette faveur et des droits attachés à la noblesse, le dit Messire Jacques Custis, ainsi que ses descendants légitimes. Nous lui avons délivré les présentes lettres patentes, avec charge d'en donner connaissance aux États Députés de la province où il a son domicile réel, et ensuite d'en faire transcrire une copie authentique auprès du Ministère de la Justice, afin que les armoiries nobles de la famille Custis soient dessinées parmi celles des familles nobles du royaume. — La jouissance de ces présentes lettres patentes ne prendra cours qu'à dater du jour de la dite inscription.

Nous requérons tous Empereurs, Rois, Ducs, Princes, Comtes, Seigneurs, Républiques-souveraines, ainsi que tous ceux à qui il appartiendra, de reconnaître le dit Messire Jacques Custis, et ses descendants légitimes, comme nobles, et de les laisser jouir, sans entraves, des droits y attachés.

Nous chargeons en particulier notre Ministre de la Justice, et nous mandons aux États des diverses provinces, au Conseil Suprême des Pays-Bas, et à tous les autres collèges judiciaires, ainsi qu'à toutes les autorités provinciales et communales de notre Royaume, de reconnaître le prédit Messire Jacques Custis, et ses descendants légitimes de ce nom, non seulement en tout ce qui précède, mais de les protéger au besoin, parce que Nous avons jugé devoir* faire tout 'ce qui précède, de notre autorité royale, dans l'intérêt du Royaume et en récompense des vertus et des services rendus à l'État.

A l'appui de tout quoi, nous avons confirmé ces présentes lettres par notre signa-

cusTis. nr)

ture, et contre-signées par le Directeur de notre cabinet, et munies de notre grand

Scel, servant aux relations de Notre Ministre de la Justice.

Donné à La Haye le 15 mai 1862.

(Signé) WILLEM.

Le Minisire de la Justice,

(Signé) Olivier.

Par le Roi :

Le Directeur du cabinet du Roi, (Signé) De Kock.

Enregistré au Département de la Justice.

A la Haye le 20 octobre 1862, fol. C. 69.

Le Conseiller-adviseur près du Département de la Justice, Chef de la division de la Noblesse, (Signé) W. J. B""^ d'Ablaing van Giesenburg.

Vu par nous Députés des États du Brabant septentrional, Bois-le-Duc, lo

14 octobre 1862.

Le Greffier des Etats,

(Signé) Van Cooth.

Page 1