‹ Recherches sur l'embryogénie des crustacésChapitre 71 sur 89 · V. Derode, Ann. des F1. de Fr., t. VII, pp. 69 et · texte numérisé non relu

V. Derode, Ann. des F1. de Fr., t. VII, pp. 69 et

(5) Zie, onder anderen, Lappenberg, vertaald door B. Thorpe, t. I, pp. 148 et 287.

Bij groote landveroveringen door geweld van wapenen, verliezen de overwinnaars zoowel als de overwonnenen gewoonlijk hunne vrijheid. De aanvallende oorlog vereenigt in den overste zooveel macht en maakt de eenheid van bevel zoo noodzakelijk, dat de dwingelandij der bevelvoerders en de onderjukking der overwinnende natie onfeilbaar uit deze noodzakelijkheid worden geboren.

Het ging den Franken 200 in Gallië.

De Vlaamsche Kerels, integendeel , hadden als volksstam geen deel aan landveroveringen genomen , en hadden daarom van hunne persoonlijke vrijheid en van hunne voorvaderlijke rechten niets verloren.

Maar nu vormden zich van lieverlede, onder de Franken, instellingen die op geheel andere gronden dan de onafhankelijkheid en de gelijkheid tusschen al de leden der natie waren gegrond.

Alhoewel de Franken te voren geene koningen hadden gekend , liet Clovis zich Lot koning kroonen , en nam uit de Gallo-Romeinsche beschaving alles over wat hem de oppermacht kon verzekeren. Hij en zijne opvolgers hadden de gronden , die den Romeinen of hunnen aanhangeren toebehoorden, aan hunne vrije Weermannen uitgedeeld; maar dewijl deze uitdeeling willekeurig was geschied, ontstond daaruit eene groote ongelijkheid tusschen de Franken zelven. Langdurige twisten en bloedige gewelddaden dwongen de zwaksten der vrije mannen, zich onder de bescherming der machtigen te stellen; en dezen erkenden op hunne beurt als beschermheer, eenen nog machtigere of den vorst zelven.

Daaruit ontsproot de staatsinrichting, welke men /eodaliteit of leenroerig stelsel noemt, en die, waar zij tot hare

( 619) volmaking geraakte, alle menschen aan andere menschen onderschikte, zoowel voor hun lijf als voor hun goed. In dit stelsel was, buiten eenige grooten, die zich edel of ridder begonnen te noemen, gansch het volk dienstbaar (dat is slaaf, geheel of gedeeltelijk) ten minste aan de kroon. | ;

De burgers der steden genoten slechts eene zeer beperkte, en, in alle geval, vergunde en weder ontneembare vrijheid.

Het leenroerig stelsel heeft in Carolus Magnus eenen machtigen beschermer gevonden ; en wi] zien uit zijne Capttularien, dat hij, in de eerste jaren der IX°*° eeuw, zich veel moeite gaf om de Kerels van Vlaanderen tot het afstaan van hun volksrecht te dwingen. Zoo spreekt hi] zware straffen uit tegen de Kerels (hij zegt dienstbare lieden) van Vlaanderen en andere gewesten bij de zeekust, die zich verstouten tegen zijn verbod broederschappen en gilden te maken (1); maar dat de Groote Karel hierin zijn doel niet heeft bereikt, zullen de latere gebeurtenissen onwedersprekelijk bewijzen.

In alle geval, het leenroerig stelsel had zich, bij het einde der X*% eeuw, over Europa uitgespreid. Hoe zouden nu de vrije mannen van Vlaanderen, alleen nog in het volle bezit van het oud-Germaansch recht, langer weërstand kunnen bieden aan den drang der feodaliteit, die als eene opkomende zee de gansche wereld dreigde te overstroomen ?

De eerste maal dat wij de Vlaamsche Kerels in eenen

(1) « De conjurationibus servorum quae fiunt in Flandris, menpisco et in Caeteris maritimis locis, etc. » Capit. Regum Franc, t.1, p.775.

( 620 ) oorlog gewikkeld zien, om zich tegen het leenheerschap te verdedigen, is in 1070, onder de gravin Richilde.

Lambertus Ardensis zegt van haar :

« Richilde wilde de Vlamingen zekere ongewone en onrechvaardige belasting opdringen, waarvan nooit te voren sprake was geweest; want van elk huis en bed eischte zij vier deniers (1). »

Onderwierpen de andere bewoners van Vlaanderen zich aan deze belasting, de Kerels konden het niet, zonder, volgens hunne gedachten, ter zelfder tijd hunne hoedanigheïd van vrijgeborenen te verliezen.

Ook kwamen zij in opstand. De gravin riep de leenheeren tot hare hulp; de Kerels van Veurne, Ysendyke, Oostburg, Aldenburg , Brugge , Sint-Omaers , enz., stelden Robrecht-de-Vries aan hun hoofd, en overwonnen, niet alleen de gravin, maar zelfs het leger van den koning van Frankrijk, in 1071, aan den voet van Casselberg (2).

Robrecht-de-Vries, graaf van Vlaanderen geworden door de Kerels, bleef hun beschermer ; maar na zijne dood spanden zijne opvolgers op nieuw herhaalde pogingen in, om de Kerels de algemeene onderschikking van het leenheerschap op te dringen. Dit geschiedde onder driederlei vormen : 1° Men kondigde edikten af, waarbij het allen onedel geboren man verboden was, in tijd van vrede, wapers te dragen; 2 men wilde de Kerels persoonlijke belastingen doen betalen ; 3° men wilde ze mannen der kroon verklaren, dit is den graaf dienstbaar, ten zij ze reeds eenen leenheer als meester erkenden, ingevolge de feodale spreuk : geen grond zonder heer.

(1) Lamb. Ard., Chronicon. Ghisnense, etc., cap. XXVII. (2) Zie daarover Kervyn de Lettenhove, Histoire de Flandre, t. Er,

pp. 277-282.

Ondanks al de aanvechtingen hunner vijanden, hadden de Kerels evenwel tot het jaar 1119 hunne oud-Germaansche instellingen behouden; maar nu werd Karel van Denemarken graaf van Vlaanderen.

De meeste Kerels hielden het met zijnen tegenstrever, Willem van Loo, burggraaf van Yperen, naderen afstammeling der Vlaamsche graven, en wiens moeder eene Kerlinne was (1).

Willem van Loo werd overwonnen, en verzaakte, voor alsdan ten minste, zijne aanspraak op de kroon.

Graaf Karel, bijgenaamd de Goede, schijnt het met zijne Vlaamsehe onderdanen wel gemeend te hebben ; doch, gewoon aan het hof der Fransche koningen te verkecren, en diep doordrongen van de feodale grondbeginsels, kon hi het gewis niet als wettelijk of verdragelijk achten, dat een gansch volk van landbouwers en arbeidende lieden, als vrije mannen, de zelfde rechten beweerde te bezitten als

de ridders en edelgeborene heeren.

Hij begon met zekere voorzichtigheid, doch vruchteloos, eenige pogingen te beproeven, om de Kerels de leenheerschappelijke onderschikking te doen aanvaarden ; doch door zijne raadsheeren, vooral door zekeren Tancmar van Straten aangespoord, wilde hij eindelijk het machtigste maagschap der Kerels dwingen, zich diensthaar aan de kroon, dit is slaaf (serf) van het grafelijk domein te erkennen. | Eenige Kerels, van het bedreigde geslacht, benamen

(1) Deze Willem van Loo was kleinzoon van Robrecht-de-Vries door Philips; Karel van Denemarken was dit slechts door Adela. Zie overigens den volledigen geslachtsboom in Vie de Charles le Bon, parle Dr Wegner, traduit du Danois par un bollandiste.

20e SÉRIE, TOME XXIX. A0

( 622 ) hem daarom verraderlijk het leven, terwijl hij in Sint- Donaaskerk, te Brugge, zat te bidden.

Tot nu toe hebben, buiten den heer Kervyn de Lettenhove, de geschiedschrijvers de moord van graaf Karel ten laste gelegd van zekere graanopkoopers, die zich wilden wreken omdat hij hen gedwongen had, het opgekochte graan tegen verminderden prijs aan het hongerige volk af te staan.

Daarvan 1s volstrekt niets.

Er bestaat eene Latijnsche kroniek van zekeren Galbertus, die op den dag der moord van Karel-de-Goede in de Burg van Brugge tegenwoordig was, en de voorvallen, welke er op volgden, heeft bijgewoond.

Deze Galbertus zegt van zich zelven : « Te midden der gevaren van z00 vele nachten en de gevechten van 700 vele dagen, ik, Galbertus, beroofd van het middel om te schrijven, heb op mijne tabletten de voornaamste dingen aangeteekend, in afwachting dat ik het verhaal, dat ik nu doe, in orde kon brengen volgens de gebeurtenissen (1). »

In de kroniek van Galbertus is er geene spraak van graanopkooperij of van iets dergelijks. Volgens hem is Karel van Denemarken wel degelijk vermoord geworden door lieden die beweerden vrij Le zijn geboren, en welke de vorst wilde dwingen zich dienstbaar te erkennen, diensvolgens door Kerels.

Na van den stamvader der moordenaars gezegd te heb-

(1) Vita beati Caroli boni Comitis Flandriae martyris, auctore Galberto, notario Brugensis (Act. SS., t. Ier,p. 179). :

Wij bebben de Fransche vertaling benuttigd, welke Guizot ervan geeft in de Collection des mémoires relatifs à l'histoire de France, t. VI. De aanhaling bevindt zich daar op bladz. 505.

( 625 ) ben : « miles Erembaldus de Furnis natus, » legt hij Bertulf, oom van den moordenaar, de volgende woorden in den mond :

« De graaf wil mi] met mijn gansch maagschap in diensthaarheid leggen, bij de oude lieden inlichtingen nemende , om te welen of wij zijne slaven (serfs) zijn; maer hij zoeke zoolang bij. wil, wij zijn vrij en zullen het altüijd blijven : er is geen mensch op aarde die ons dienstbaar kan maken (1)! »

Vele andere bewijzen nog behelst de kroniek van Galbertus, doch deze hier aan te halen, ware overbodig. Karel van Denemarken is wel zeker het siachtoffer geworden van lieden wier persoonlijke vrijheid men wilde vernietigen ; en buiten de Edelen en Kerels, bezaten alsdan geene anderen zulke vrijheïd.

In alle geval verwekte deze wreede moord in gansch Vlaanderen eenen kreet van verontwaardiging en wraakzucht. ;

De ridders namen deze gelegenheïd te baat om hunnen haat tegen de Kerels den teugel te vieren; en, onder voorwendsel dat allen medeverantwoordelijk of medeplichug aan de misdaad waren, deden zij geheel het land tegen hen opstaan, zwerende in hun gemoed dat schuldigen en onschuldigen voor de ijselijke euveldaad zouden boeten.

Een machtig leger trok op tegen Brugge, waar binnen de Erembalds zich hadden versterkt. Verraden en overvallen, vloden z1] met eenige honderde Kerels op de Burg, en daar boden zij zulken onversaagden en langdurigen

tegenstand, dat zij hunne vijanden zelven tot bewondering dwongen.

(1) Galbertus, p. 253.

Toen zij reeds gedurende drie weken als ware leeuwen zich hadden verdedigd, en herhaalde bestormingen hadden afgeslagen, kwam de koning van Frankrijk in persoon naar Brugge, aan het hoofd van een ongewoon machtig leger, om den moord van zijnen bloedverwant Karel te wreken.

De Kerels worstelden met de woede der wanhoop tegen deze ontzaggelijke heirkracht ; zij verloren opvolgend , en telkens na bloedige gevechten, de buitenmuren, het paleis des graven, het klooster en de kerk van S'-Donaas, gebouwen die binnen de Burg besloten waren.

Eindelijk door deze immer vernieuwde aenvallen bijna gansch weggesmolten , werden zij op S'-Donaas toren gedreven, van welks gaanderijen zij hunne vijanden met allerlei werptuigen , ja, met stukken der verbrijzelde klokken poogden te verpletteren.

De konimg van Frankrijk, over zulken hardnekkigen wederstand verbolgen, deed den toren ondermijnen. Slechts toen deze begon te waggelen en dreigde omverre te storten, boden de Kerels aan, zich over te geven, op voorwaarde dat men hen door rechters zou doen onderhooren, en degenen die niet medeplichtig aan den moord waren, zou toelaten hunne onschuld de bewijzen.

Dit hun toegestaan zijnde, kwamen zij met vertrouwen van den toren, en werden naar de gevangenis geleid.

Van eenige honderde Kerels , die de verdediging der Burg hadden begonnen, bleven er nog slechts acht-entwintig over!

Gedurende veertig dagen hadden zij wederstand geboden aan de vereenigde heirkrachten van Frankrijk en van Vlaanderen.…

In stede van ze te vonnissen, zooals men hun had bebofd, bracht men ze, eenige dagen later, een voor een op

( 625 ) den toren en smeet ze van boven neder op de steenen van het plein der Burg.

Na deze bloedige strafplegmg trok het Fransche leger naar Yperen, waar de Kerels, onder bevel van Willem van Loo, zich hadden versterkt.

Ten gevolge der moord des graven onderling verdeeld, en verraden door eenige poorters van Yperen, konden de Kerels niet lang weërstand bieden , en ondergingen‘eene beslissende nederlaag (1). |

De tot dan onplooïbare Vlaamsche Saksen waren nu seheel ter nedergedrukt; hunne natuurlijke oversten, hunne machtigste beschermers, de Erembalds, had men uitgeroeid, onder het valsche voorwendsel dat zij allen medeplichtig aan den moord van graaf Karel waren.

« Men heeft hunne verrechtvaardiging belet » zegt de seleerde abbé Carton « door hen uit te roeien, en deze baan is de zekerste om gelijk te halen, want de dooden spreken niet. Toen zij nog leefden, heeft men hen niet willen onderhooren; zi] vroegen rechters en men gaf hun beulen (2). » |

De koning van Frankrijk, als hadde hij Vlaanderen zelven veroverd, drong de Vlamingen eenen Franschen vorst, Willem van Normandië, tot graaf op.

De ridders mochten tevreden zijn. Nu heerschte over Vlaanderen een graaf, gansch doordrongen van Gallo-Frankische gedachten, en diensvolgens vijand der volksvrijheden.

(1) Zie het omstandig verhaal van den moord des graven, van de belegering der Burg en van de nederlaag der Kerels van Yperen, in de reeds gemelde kroniek van Galbertus, Vita Caroli Boni, etc.

(2) Abbé Carton, Bertulf et sa famille , ANN. DE LA S0c. D'ÉMULATION DE BRUGES, t. Ier, 2e série, p. 303.

Willem van Normandië achtte zich welhaast sterk genoeg, om het land geheel volgens zijnen willekéur te bestieren. Den eed verbrekende dien hi} plechüglhiyk had gezworen , eischte hi}, gaansch Vlaanderen door, drukkender belastingen dan men er ooit had betaald.

De steden, door de inwoners van Gent tot wederstand aangevuurd , spanden te zamen en riepen Diederik-vanden-Elzas tot graaf van Vlaanderen uit.

Een bloedige oorlog nam aanvang, en duurde met vele wisselvallige kansen voort, tot dat Willem van Normandië, bi] het beleg van Aalst door eenen burger gewond, het leven verloor.

Diederik bestierde Vlaanderen gedurende vijftig jaren. Hij was een beschermer der volksvrijhedenr , liet de Kerels hun oud-Germaansch recht behouden, en gaf aan vele steden en gemeenten van Vlaanderen hunne eerste geschrevene voorrechten of keuren.

Hier dient in het voorbijgaan 1ets opgemerkt te worden, dat de nagedachtenis der Kerels den Vlamingen dierbaar moet maken. Het zijn de Kerels die allereerst gecischt hebben dat de keuren en staatsschriften, hun betrekkelik, in de moedertaal, ditis te zeggen , in het Vlaamseh, wierden opgesteld (1).

Bi; het begin der XIHE° eeuw, stond het grooste gedeelte van Kerlingaland onder de overheïd der gravin Machteld, wie men dit gewest als bijleving of duwarie had toegekend.

Zij wilde de Kerels de betaling van een persoonlijk hoofd-

(1) « Le triomphe des Kerles dans la lutte prolongée, ce fut de faire admettre le Flamand dans les chartes publiques. » Victor Derode, Annales des Flamands de France, t. VIH, p. 69.

( 627 ) seld opdringen. Om aan dit teeken der slaverni] te ontsnappen kwamen de Kerels in opstand.

De gravin rukte aan het hoofd van cen leger ridders en wapenknechten in Veurne-Ambacht ; maar hare heirkracht werd geheel verslagen , en zij zelve moest haar heil m de vlucht zoeken (1).

Dat de Kerels, in 1302, met machte tegenwoordig waren in den roemrijken slag der Gulden sporen, kan men daaruit opmaken, dat in eene oude kroniek, op last der Vlaamsche Bibliophilen uitgegeven door Blommaert en Serrure, Robert d'Artois, Fransche veldheer, al de Vlamingen voor Kortrijk Kerels noemt.

Twintig jaren na den slag der Gulden sporen, schonk de graaf van Vlaanderen de heerlijkheid of baïljuwschap van Sluis aan zijnen oom, Jan van Namen.

Deze vorst wilde hooge tolrechten van doorvaart in zijne heerlijkheïd heffen; en dewijl Sluis de zeehaven van Brugge was, zou daardoor de koophandel dezer stad aanzienlijk worden gestremd of geheel vernietigd.

De Bruggelingen, in groote verlegenheid, riepen de Kerels tot hunne hulp (2); en, met hen vereenigd, overrompelden zij Sluis en namen bn van Namen gevangen.

Daaruit ontstond een lange ooriog tegen den graaf van Vlaanderen. Deze werd eindelijk door de inwoners van Kortrijk in de handen der Kerels geleverd en als gevangen naar Brugge gevoerd.

Na lang in hechtenis te zijn gebleven, aanvaardde de

(1) Lamb. Ard., Chronicon, cap. CLIIT.

(2) « De sorte qu’en peu de temps se joindirent ausdiets de Bruges et du Franc, les villes de Nieuport, BHRnESs Berghes, Dunkerke, Cassel et tout le Westquartier. »

Oudegherst, Ann. de FT. t. IT, p. 395.

( 628 ) graaf al de voorwaarden, welke de Bruggelingen van hem eischten en hij werd daarop in vrijheid gelaten.

Hij begaf zich naar Frankrijk en smeekte de hulp des konings af, om zich op de wederspannige Kerels te wreken.

De koning vergaderde een ongemeen machtig leger, en zakte met het gansche ridderschap van Frankrijk en Vlaanderen naar Kerlingaland af, tot voor den Casselberg, waar hij wist dat de Kerels, volgens hunne gewoonte, zich hadden nedergeslagen en versterkt.

Door de heldhaftige bevelhebbers Niklaas Zannekin en Segher Janssone aangevoerd, besloten de Kerels tot eenen hardnekkigen wederstand. Wel verre van bij het gezicht zulker ontzaggelijke heirkracht te versagen , waren zij nog stout genoeg, om den Franschen koning door spottende woorden uit te dagen (1).

De veldslag die hier werd geleverd, was voor de Kerels noodlottig. Wel vochten zij als woedende leeuwen en deden zij, in den eerste, door hunne wonderhjke dapperheid de kansen wankelen; maar eindelijk bezweken zi] onder des vijands overmacht. Meer dan dertien duizend lijken overdekten het slagveld, en getuigden door hun verbazend gelal, met welke hardnekkigheid de Kerels hadden gestreden (2).

(1) Zij staken geschilderde hanen uit met dit opschrift :

Quand ce cocq icy chantera Le roy trouve cy entrera.

Oudegherst, p. 416.

(2) Et en laquelle bataille lesdicts Flamans rebelles se portèrent sy vaillamment qu'ils faysoyent plusieurs fois doubler leurs ennemys de l'evènement de la bataille... Les Flamans laissant la plaine couverte de plus de treize mille de leurs compagnons, quy lors finirent misérablement leurs Jours.

Oudegherst, pp. 417 et 418.

Deze bloedige nederlaag moet hen voor langen tijd onmachtig gemaakt hebben om nog op te staan tegen degenen, die immer voortijverden om de laatste sporen van het oud-Germaansch volksrecht in Vlaanderen te vernieligen.

Maar andere verdedigers had de vrijheid gevonden im de groote steden des lands, welke door de nijverheid hunner bewoners eenen hoogen trap van voorspoed en rijkdom hadden bereikt.

Elkeen in ons land kent nu de geschiedenis van Jacob van Artevelde, en weet hoe de Vlaamsche gemeenten, onder zijne leiding, gansch Europa verwonderden. door de ontwikkeling eener tot dan ongekende volksmacht.

Het lag evenwel in het lot der wereld, dat de volkeren van Europa nog diep en langdurig moesten verdrukt worden, vooraleer de verlorene vrijheid der vaderen gedeeltelijk te herwinnen.

Toen Philips van Artevelde, Jacobs zoon, in 1382, op het slachtveld van Roosebeke met meer dan 20,000 Vlamingen sneuvelde, verduisterde de zon der onafhankelijke gemeenten, en de eeuwenheugende worsteling was ten emde, hoe zeer ook vruchtelooze pogingen nog van tijd tot üjd kwamen bewijzen, dat Vlaanderen het juk met ongeduld en geheime woede droeg.

In het midden der X[IV° eeuw verviel, door een huwelijk, de kroon van Vlaanderen aan de hertogen van Bourgonje.

Van dit oogenblik af werd door deze trotsche vorsten, ons geheel vreemd van afkomst en zeden, eenen openlijken strijd gevoerd tegen de rechten, de taal en de gebruiken des volks in Vlaanderen.

De gemeenten vergoten nog hun bloed in eervolle posingen, om zich uit de verdrukking los te woelen; doch

( 650 ) het lot had beslist : de vorstelijke macht zou voortaan geene andere wet dan den willekeur erkennen, en de staatsreden zou zelfs het aangeboren menschelijk recht verzwelgen.

Nog eens liepen de Kerels te wapen, in het jaar 1427.

De hertog Philips van Bourgonje, ongetwijfeld spottender wize bijgenaamd de Goede, wilde de bewoners der Ambachten nieuwe wetten opdringen, die geheel in strijd waren met hunne oude rechten. |

Na eenige vruchtelooze pogingen tot overeenkomst, besloten de Kerels uit twee-en-vijftig dorpen tot den opstand, en brachten meer dan 8,000 man ten velde, onder bevel van Hanne Mettenbaerde (Jan met den baard) en Arnold Kieken. |

De hertog zond 5,000 wel afgerichte krijgsknechten tegen hen af; doch zij sloegen dit kleine leger op de vlucht en veroverden de stad Cassel en het sterke slot Reneschure.

Over deze nederlaag zijner lieden verbolgen, bracht de machtige hertog zulk ontzagliik leger te zamen, dat de Kerels, overtuigd dat zij nutteloos zouden pogen weêrstand te bieden, zich onderwierpen en de nieuwe wetten uit de handen des vorsten ontvingen (4).

Na dit tijdstip gewaagt de Geschiedenis niet meer van gebeurtenissen, waarin de Kerels eene bijzondere rol vervullen. Wel blijven de Ambachten bestaan, wel behouden de Kerels der omstreken van Brugge een eigen bestuur ; maar de weinige rechten welke zi] tot het einde der vorige eeuw genieten, ziin hun door den vorst toege-

(1) Zie het omstandig verhaal van deze laatste poging der Kerels, door A. Desplarque, in de Annales des Flamands de France, 1. VIT, p. 218.

staan en, volgens zijnen willekeur , ingekort en gewi]zigd.

Zie daar, in het korte, de gansche Geschicdenis der Nlaamsche Kerels, martelaars der persoonlijke vrijheid en der gelijkheid van al de leden der natie. |

In hen ligt de eerste oorsprong van onzen eigen volksaard : van onzen haat tegen allen dwang, van ons taal seduld, van onzen eerbied voor de erfenis van het voorgeslacht, van onze liefde tot vaderland en moedertaal.

De vijanden van het volksrecht hebben, gedurende eeuwen, al hunne pogingen vereenigd, om hel nakomelingsehap den voorvaderlijken heldenmoed en de voorvaderlike vriheidszucht te doen vergeten. Zoo insgelijks hebben z1j de nagedachtenis der Kerels van Vlaanderen

slechts vermomd of bevlekt tot ons laten komen. Maar wij, Vlamingen, die nu ijveren om den roem der vaderen weder uit de verdonkerde kronieken op te graven, zouden wij niet met eerbied en dankbaarheid de kloeke mannen van Vlaanderen gedenken , wier bloed, zoo overvloedig en eceuwén lang, heeft gestroomd voor ’s volks ontslaving en voor ’s lands onafhankelijkheid?

Ziyn wi niet de zonen, de rechtstrecksche erfgenamen dier taaie Kerels van Vlaanderen? en strijden wii niet als Zi, met zwakke krachten misschien, maar toch met oud- Germaansche volharding voor het behoud van onzen eigen aard, van 6ns volksrecht en van onze moedertaal?

Eindigen wi hier met eenen wensch : moge de gelecrde heer Kervyn de Lettenhove, die ons allereerst de Kerels deed kennen, zijne weldaad volledigen, door het schrijven cener bijzondere Geschiedenis der wakkere Kerels van Vlaanderen!!

De chaleureux applaudissements ont éclaté à diverses

reprises pendant cette lecture et se sont de nouveau fait entendre lorsqu'elle a été terminée.

— M. Ad. Mathieu est venu ensuite prendre aussi place au bureau pour prononcer les vers suivants :

Page 1