‹ Recherches sur l'embryogénie des crustacésChapitre 70 sur 89 · V. Derode, Ann. des FI. de Fr., 1. HE, p · texte numérisé non relu

V. Derode, Ann. des FI. de Fr., 1. HE, p

Deze schat diende niet alleen om het onderhoud der gemeene wegenissen en waterwerken te bekostigen; maar hij was tevens eene kas van verzekering tegen brand en schipbreuk (4).

De Kerels verbonden zich daarenboven onderling tot velerlei doel im broederschappen, die zij Gilden noemden, en zwoeren elkander bij te staan en te helpen met goed en bloed. je

Zij huldigden wel den graaf van Vlaanderen als hunnen wettigen vorst, doch ontzegden hem allen rechtstreekschen invloed op hunne zaken.

Tollen van doorvaart en invoer, van den aard als degenen die wi] nu douanen, haven- of baanrechten noemen, betaalden zij gewillig ten voordeele des vorsten; maar van eene persoonlijke belasting op hunne hoofden, hunne woningen of hunne akkers, wilden zij niet hooren. Inderdaad, volgens oud-Germaansch recht, was het betalen van allen persoonlijken tol een teeken van diensthbaarheid en slaverni].

Moesten zij met de andere gewesten des lands in de kosten van den oorlog bijdragen, dan stuurde de graaf hun eene bede toe, en, na beraadslaging, vergunden zij hem uit den gildeschat eene zekere hoeveelheid marken zilvers. — Deze wijze van geldvergunning aan de vorsten 1s in meest al de provincien van België in voege gebleven tot het emde der verledene eeuw.

De Kerels waren landbouwers, zeevaarders, visschers, koophandelaars of wevers. Zij woonden niet binnen be-

(1) Carolus Magnus heeft in zijne Capitularien (a° 779, art. XIV) reeds deze onderlinge verzekeringen verboden. Zie overigens Kervyn de Letten- -hove, Hist. de F1., L. Ier, p. 114.

( 645) muurde steden, omdat aldaar de hoogere overheid door de ambtenaren der vorsten (kasteleins of burggraven) werd uitgeoefend, en niemand er eene ware onafhankelijkheid genoot (1).

Zij leefden diensvolgens onder eene soort van grondwettelijken regeringsvorm, die steunde op het grondbeginsel van een volledig selfgovernment, en zich kenmerkte door eenen diepen haat tegen allen schijn van dienstbaarheïd en eenen ijverigen afkeer van alle centralisatie.

Dat de Saksen wel werkelijk Nederduitseh, dat is te zeggen Vlaamsch, spraken, is te bewijzen door den afzweringsvorm, ten jare 745 in de kerkvergadering van Lepünes, voor de Saksen opgemaakt, en waarvan een gedeelte dus luidt :

Ec forsacho diabolae end allum Ic verzake den duivel en allen Diabol gelde, end allum diaboles Duivels-gilde en allen duivels Wercum, Thunder en Woden Werken, Donder en Woden

End Saxen Ote. En Saksen ote (goden ?)

Ec gelobo in Got almechtigan, Ik geloove in God almachtigen, Fadaer , in Crist, godes suno, Vader in Christ, godes zone, End in halogan gast. En in heiligen geest (2).

Men dient op te merken, dat indien deze taal van het hedendaagsch Nederlandsch ten minste in den uiterlijken vorm verschilt, dit deels voortspruit uit de wijzigingen

.welke alle talen door den loop des tijds ondergaan; maar

(1) De meeste bijzonderheden over de wetten en zeden der Kerels van Vlaanderen kan men in de reeds meermaals aangehaalde schets van Victor Derode vinden (Ann. des F1. de Fr., t. VII). De anderen zijn uit de kronieken van Galbert of uit de handelwijze der Kerels zelven opgemaakt.

(2) Zie Histoire des Carolingiens, par L.-A. Warnkoenig et P.-A.-F. Ge. rard, t. 1er, p. 221.

( 616) bovenal daaruit, dat de opstellers van dit formulier Latijnsche letteren bezigden , welke slechts daar of omtrent de echte klanken der Saksische spraak konden verbeelden.

Zien wij nu ter loops, welke rol deze Kerels van Vlaanderen in de Geschiedenis onzes vaderlands hebben vervuld.

Op het emde der 3% eeuw, stelden de Romeinsche keizers, Diocletiaan en Maximiaan, eenen zekeren Caraustus aan, als bevelhebber over de zeemacht in de Noordzee, om de kusten van het Rijk tegen zeeroovers te beschermen. Deze Carausius was een Menapier, dit is een Vlaming, en zijne opvolgers voerden den naam van graven der Saksische kust. Hij maekte zich vrij van zijne onderschikking aan het Romeinsche Rijk en veroverde een gedeelte van het groote Britsche eiland ( Engeland).

Lappenberg, in zijne Geschichte von Engeland, zegt van hem : « Niet min invloed heeft Carausius uitgeoefend op de latere Germaniseering der Britten door de Saksen. Hi zelf was Germaan van afkomst en Menapier van geboorte. Indien hi} de oorzaak niet was van de nederzetting der Saksen, zoo wel op de Vlaamsche als op de Britsche kust, begunstigde hi] ze evenwel door zijn bondgenootschap met hen (1). »

Deze Carausius is dus de eerste Kerel van Vlaanderen , wiens naam ons door de Geschiedenis wordt gemeld. In dezen naam ziet de heer Kervyn de Lettenhove zelfs eene Latijnsche vervorming van het woord Karlos.

In alle geval, van dan af wordt er niet zelden gewag gemaakt van Saksen die de beide kusten der Noordzee,

- (1) Lappenberg, Geschichte von Engeland, t. I, p. 45.

( 6143 zoo wel in Vlaanderen als in Brittanië bewonen, en van den zelfden volksstam zijn.

Op het einde der vijfde eeuw, traden vele Germaansche stammen , ook de Saksen, onder den algemeenen naam van Franken, in een verbond om Gallië van de Romeinen af te winnen. Zij kozen tot opperhertog Clovis (Hlodwich).

Onder hem was een der voornaamste oversten zekere Ragenher, heirlog van Kamerryk, en ongetwijfeld de gekozen bevelhebber der Kerels van Vlaanderen.

Toen Clovis, na de verovering van Gallié, zich Christen liet doopen, weigerden Ragenher en de hem onderhoorige benden, hunne Germaansche goden te verloochenen. Zi] keerden verbitterd terug naar Vlaanderen, en kregen geen deel van de veroverde wingewesten. Ja, Clovis wreekte zich later bloedig op Ragenher (1).

Een bewijs, dat deze Ragenher een Kerel was, vindt men daarin, dat de Kerels van Vlaanderen, langer en hardnekkiger dan andere Germanen, hun oud geloof zijn bijgebleven (2), tot zoo verre, dat de heer Kervyn de Lettenhove eenen Kerel aanhaalt, Segher van Ghistel genaamd, die tot omtrent 1096 heiden was gebleven, en zich Christen moest laten doopen om aan de Kruisyaart te kunnen deel nemen.

Wat dit gevoelen nog meer staaft, is dat men in de jaarboeken der Angel-Saksen, dien naem, Raeginheri, Raeginhere, niet zelden aantreft (3).

(1) Greg. Turon, lib. 11, XVII et XLII.

(2) « Les Kerles ne pardonnaïent pas aux Francs leur conversion au christianisme... Les Saxons étaient des païens invétérés (paganissimi). »

Page 1